Dwangsombedragen dienen in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom, zo regelt artikel 5:32b, lid 3 van de Awb. Het bevoegd gezag beschikt daarbij over veel ruimte om aan de hand van de aard en ernst van de overtreding en de beoogde prikkel, de hoogte van de dwangsom te bepalen. Soms is een door een bevoegd gezag vastgestelde dwangsom echter onevenredig hoog. Dit was het geval in een zaak die leidde tot een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland van 4 maart 2022.

Wat speelde in deze zaak?

Een GFT-verwerkingsbedrijf in de omgeving van Lelystad is door de jaren heen meer GFT gaan verwerken. Omwonenden klagen over de daarmee gepaard gaande geuroverlast. Nadat het college van Gedeputeerde Staten van Flevoland verschillende milieucontroles uitvoert stelt het vast dat de gemeten geuremissie de norm uit de in 2014 aan het bedrijf verleende omgevingsvergunning overschrijdt. Het college legt het bedrijf vervolgens een last onder dwangsom op van € 5.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 10.000,-. Nadat het GFT-verwerkingsbedrijf in overtreding blijft, gaat het college over tot een nieuwe dwangsomoplegging. Deze keer veel hoger dan de eerste last: € 250.000,- per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 500.000,-. Dat vindt het GFT-verwerkingsbedrijf onredelijk hoog. Bovendien is de gestelde begunstigingstermijn van vier maanden te kort om de benodigde emissiereducerende luchtwasser te plaatsen en in gebruik te nemen. Alleen dan kan immers aan de norm worden voldaan, aldus het bedrijf. Het enige andere alternatief om aan de norm te voldoen is complete stillegging van het bedrijf. Ook komt het GFT-verwerkingsbedrijf op tegen de begunstigingstermijn. Het college heeft de begunstigingstermijn op 1 februari gesteld omdat het omwonenden wil vrijwaren van geuroverlast in het voorjaar en de zomer van 2022. Nu het voorjaar pas op 20 maart begint had de termijn volgens het GFT-verwerkingsbedrijf niet op 1 februari gesteld hoeven te worden. Het bedrijf spant daarom een kort geding aan bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland.

Oordeel voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter oordeelt dat de begunstigingstermijn die het college stelde redelijk is. Het GFT-verwerkingsbedrijf had vanaf 2014 een omgevingsvergunning en is dus sinds die tijd al op de hoogte van de geurnormen waaraan het moet voldoen. Daar komt bij dat het handhavingstraject tegen de geuremissie al loopt sinds de eerste last onder dwangsom die het college in 2019 al oplegde. Het argument van het bedrijf dat het zonder luchtwasser niet aan de norm kan voldoen overtuigt de voorzieningenrechter niet: het bedrijf is meer GFT gaan verwerken en het niet voldoen aan de geurnorm ligt dan ook in de risicosfeer van het bedrijf.

De hoogte van de dwangsom geeft de voorzieningenrechter wél reden tot schorsing. De dwangsom is volgens de voorzieningenrechter onevenredig hoog. De hoogte van de dwangsom is door het college gekoppeld aan de kosten voor de investering in de luchtwasser, omdat het bedrijf daarmee aan de geurnorm kan voldoen. De voorzieningenrechter kan die toelichting echter niet volgen, omdat het college juist heeft aangegeven dat het bedrijf ook zonder de luchtwasser aan de norm moet voldoen. Bovendien heeft het bedrijf toegelicht dat de luchtwasser al besteld is, waarmee zij ook geen prikkel meer nodig zou hebben om die investering (nog) te doen.

De voorzieningenrechter vindt verder van belang dat het bedrijf heeft toegelicht dat zij inmiddels maatregelen heeft genomen, die ertoe hebben geleid dat zij volgens haar eigen metingen aan de norm voldoet. De last onder dwangsom is echter zo geformuleerd dat het bedrijf bij één, mogelijk geringe, overschrijding van de norm direct € 250.000,- verbeurt, terwijl dat slechts van één meetmoment in twee maanden tijd afhangt. Indien er op dat moment een overtreding wordt geconstateerd, verbeurt het bedrijf direct een dwangsom, en is er voor haar ook geen enkele prikkel meer om zich gedurende de overige termijn van die twee maanden aan de norm te houden. Onder deze omstandigheden oordeelt de voorzieningenrechter dat het meer voor de hand had gelegen om een lagere dwangsom met eventueel meerdere meetmomenten op te leggen. Daarmee kan het college over een langere periode meerdere keren controleren of er inderdaad aan de norm wordt voldaan en zal er voor het bedrijf ook een constantere prikkel zijn om zich voortdurend aan de norm te houden.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 4 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:855.

Share This