Het komt voor dat curatoren worden geconfronteerd met een onderneming die op het moment van faillietverklaring niet in overeenstemming blijkt te handelen met milieuwet- en regelgeving en mogelijk zelfs milieuverontreiniging veroorzaakt of dreigt te veroorzaken. In geval van overtreding van milieuwetgeving, brengt de beginselplicht tot handhaving met zich dat het bevoegde bestuursorgaan van haar bevoegdheid gebruikmaakt en de overtreder een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang oplegt. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Cbb) bevestigt in een uitspraak van 7 augustus 2018 dat in veel situaties de curator met succes kan worden aangesproken op de zorgplichten die voortvloeien uit de diverse milieuwetten.

Waar ging de zaak over?

Een agrarisch bedrijf dat gedurende enige tijd EU-inkomenssteun en subsidie voor plattelandsontwikkeling ontving, gaat failliet. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wil na dit faillissement weten in hoeverre dit bedrijf, een vennootschap, de randvoorwaarden voor de ontvangen inkomenssteun en subsidie heeft nageleefd. Het gaat hier in het bijzonder om de naleving van milieuverplichtingen uit de Meststoffenwet. Immers, stoffen in mest kunnen het milieu belasten. In dat verband verzoekt de minister de curator van de vennootschap om gegevens uit de ‘mestboekhouding’ van de vennootschap te verstrekken. De minister is daarbij in het bijzonder geïnteresseerd in de gebruiksruimte en de hoeveelheid dierlijke meststoffen die is gebruikt.

Aan dit verzoek geeft de curator geen gehoor, waarop de minister een last onder dwangsom oplegt aan de curator. Daaraan legt de minister ten grondslag dat de curator niet heeft voldaan aan de administratieve verplichting om opgevraagde gegevens uit de mestboekhouding te verstrekken. Een verplichting die voortvloeit uit de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

Betoog van de curator

Tegen dit besluit gaat de curator in bezwaar. De minister heeft namelijk gegevens opgevraagd over het kalenderjaar 2014. Volgens de Uitvoeringsregeling dienen gegevens met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar steeds voor 1 februari aan de minister verstrekt te worden. De overtreding is daarmee pas begonnen vanaf 1 februari 2015. De curator is daarom van mening dat hij, nu hij pas na 1 februari 2015 als curator van de vennootschap is aangesteld, hij niet als overtreder kan worden aangemerkt.

Verder stelt de curator dat zijn verantwoordelijkheid zich beperkt tot de naleving van milieuwetgeving. Daarmee strekt zijn plicht niet uit tot de naleving van administratieve verplichtingen die geen milieubelang zouden dienen. Indien een administratie incompleet, ondeugdelijk of niet aanwezig is, zou een curator immers nooit aan de last kunnen voldoen en hoe dan ook een dwangsom verbeuren.

Tot slot stelt de curator dat de opgevraagde gegevens inmiddels door de voormalige bestuurders van de failliete vennootschap en door de vennootschap die de activiteiten heeft voorgezet, zijn verstrekt. De minister heeft de gegevens kortom al in haar bezit. De beoogde werking van de last onder dwangsom is daarmee komen te vervallen, aldus de curator.

De minister acht dit betoog niet overtuigend en verklaart het bezwaar ongegrond. Daarop stelt de curator beroep in bij het Cbb.

Oordeel van het Cbb

De minister krijgt in hoger beroep gelijk. Daarbij grijpt het Cbb terug naar vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De Afdeling heeft in diverse uitspraken overwogen dat de curator, als beheerder van de boedel, vanaf het moment van faillietverklaring van een bedrijf verantwoordelijk is voor de uit milieuwetgeving voortvloeiende verplichtingen van dat bedrijf. Om die reden kan de minister de curator dan ook gelasten de op dat moment bestaande overtredingen van de milieuwetgeving te beëindigen, of herhaling hiervan te voorkomen.

Het maakt daarbij niet uit of de overtreding vóór het moment van faillietverklaring en benoeming als curator, of tijdens het faillissement is ontstaan. De verantwoordelijkheid van de curator vanaf het faillissement van de vennootschap blijft overeind, ongeacht het ontstaansmoment van die verantwoordelijkheid.

Waar de curator beargumenteerde dat het bij het overleggen van de mestboekhouding niet gaat om de naleving van milieuwetgeving, oordeelt het Cbb dat uit de omschrijving van de administratiefrechtelijke verplichtingen uit het Uitvoeringsbesluit blijkt dat het gaat om verplichtingen die zien op de productie van meststoffen. De verplichting van de curator vloeit dan simpelweg voort uit milieuwetgeving, aldus het Cbb.

Verder stelt het Cbb dat niet is gebleken dat de gevraagde gegevens inderdaad zijn verstrekt door anderen. Bovendien kan dit, mocht dat daadwerkelijk zijn gebeurd, niet afdoen aan de rechtmatigheid van de oplegging van de last onder dwangsom door de minister aan de curator.

Belang voor de praktijk

Kortom, vanaf het faillissement van de vennootschap is de curator als beheerder van de boedel verantwoordelijk voor de uit milieuwetgeving voortvloeiende verplichtingen. Daartoe behoort ook de verplichting om gegevens te overleggen over de gebruiksruimte en de hoeveelheid meststoffen die is geproduceerd. De minister van LNV is in het geval dat de curator de gegevens niet aanlevert, bevoegd de curator een last onder dwangsom op te leggen om te bereiken dat de gegevens alsnog worden overlegd. Het is dus zeer wel mogelijk om jegens een curator te handhaven. Relevant voor de toekomst, omdat in de op handen zijnde Omgevingswet nog meer zorgplichtbepalingen ten aanzien van milieu zijn opgenomen!

Raadpleeg hier de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 7 augustus 2018.

Lees in dit verband ook het artikel van E.H.P. Brans en J.H. van der Weide uit Gemeentestem 2016/42: Faillissement en milieu. Waartoe is de curator gehouden na faillissement van de onderneming?

you're currently offline

Share This