Verontreinigde grond kan in sommige gevallen een ernstig gezondheidsrisico voor mens en milieu vormen. Op basis van de Wet bodembescherming (Wbb) is het dan ook niet toegestaan om vervuilde grond zonder melding uit te graven en te verplaatsen. Als de grond in kwestie echter niet ernstig verontreinigd is en het bovendien gaat om een betrekkelijk kleine hoeveelheid die slechts tijdelijk wordt verplaatst, gaat de meldplicht niet op. In een geschil tussen enkele inwoners van Zaandam en het college van burgemeester en wethouders stond de vraag centraal of grond al dan niet ernstig verontreinigd was en in navolging daarvan of het college vanwege het uitblijven van een melding hierover bevoegd was tot handhaving.

Wat was er aan de hand?

Het bedrijf North Sea Venue B.V. (NSV) heeft werkzaamheden laten verrichten op een terrein in Zaandam. Deze werkzaamheden bestonden onder andere uit een oppervlakkige ontgraving en het graven van een sleuf ten behoeve van rioolonderhoud. Hierbij heeft NSV de vrijgekomen grond in een droogstaande greppel op hetzelfde terrein gestort.

Enkele omwonenden van NSV waren over deze ontgravingen niet te spreken. Op de dag van de ontgravingen dienden zij dan ook direct een verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Zaandam om tegen deze handelingen, op grond van artikel 28 lid 1 Wet bodembescherming (Wbb), handhavend op te treden. Op grond van dit artikel dient immers van het voornemen om verontreinigde bodem te verplaatsen melding te worden gemaakt bij het bevoegd gezag. Deze melding had NSV echter niet gedaan. Dat sprake is van bodemverontreiniging onderbouwen de omwonenden met rapporten uit 2004 en 2009. Daarnaast dragen de Zaandammers aan dat NSV niet beschikte over de benodigde omgevingsvergunning om met de werkzaamheden te kunnen starten, en zouden er volgens hen bovendien stelselmatig allerlei overtredingen zijn gepleegd op het terrein van NSV. Om die laatste reden had het college haar handhavingsbeleid toe moeten passen en eerder een last onder dwangsom moeten opleggen ter voorkoming van herhaling, aldus de Zaandammers.

Het college gaat in dit alles niet mee, en is niet van mening dat het naar aanleiding van het handhavingsverzoek handhavend op diende op te treden. Dit onderbouwt het college onder andere met de uitkomsten van een monsteronderzoek dat de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied daags na het ontvangen van het handhavingsverzoek heeft verricht. Hieruit komt naar voren dat de bodem weliswaar licht verontreinigd is, maar dat er geen sprake is van risico’s voor mens en milieu. Het betreft hier immobiele verontreinigingen die zich niet verspreiden. Het college stelt verder dat uit de rapporten die de Zaandammers aandragen niet blijkt dat de grond waar de graafwerkzaamheden plaatsvonden zwaar verontreinigd is. Daar komt bij dat uit een ander rapport uit 2014 volgt dat de mate van verontreiniging op het gehele onderzochte terrein wisselt.

Naast dat het volgens het college dus geen ernstige bodemverontreinigingen betreft, gaat het in casu ook nog om minder dan 50 kubieke meter grond, die bovendien tijdelijk wordt verplaatst en daarna wordt teruggebracht naar de oorspronkelijke plek. Daarom is volgens het college de uitzondering van artikel 28 lid 5 Wbb van toepassing, waarin staat dat in dergelijke gevallen geen meldplicht geldt. Artikel 28 lid 1 Wbb biedt volgens het college dan ook geen grondslag om handhavend op te treden. Verder draagt het college aan dat de werkzaamheden plaatsvonden op meer dan 100 meter van het perceel van de omwonenden, wat gelet op de aard van de werkzaamheden en de staat van de grond geen risico voor hen opleverde. Ook hebben zij niet aangevoerd en is niet bekend dat er grond op hun perceel terecht is gekomen, wat gezien de afstand ook zeer onaannemelijk zou zijn. Het is kortom niet duidelijk hoe zij schade zouden hebben geleden, en waar deze dan uit zou bestaan.

Het college laat het bestreden besluit dan ook in stand. Daarop tekenen de Zaandammers in eerste en enige aanleg bij de Afdeling beroep aan. Daarbij voeren zij aan dat het monsteronderzoek niet deugt, en verlangen een volledig en deugdelijk onderzoek naar de situatie waarbij de eerdere activiteiten van NSV worden betrokken. Ook eisen ze herstel van eventuele schadelijke gevolgen.

Oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak

Kortgezegd gaat de Afdeling niet mee in het relaas van de omwonenden. Ten aanzien van de omgevingsvergunning stelt de Afdeling vast dat in deze zaak slechts de vraag voorligt of het college heeft mogen weigeren om handhavend op te treden op grond van artikel 28 Wbb. Voor zover de Zaandammers hebben verzocht om handhaving wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning, stelt de Afdeling dat voor deze activiteiten wel degelijk een omgevingsvergunning is verleend en dat daartegen beroep is ingesteld bij de rechtbank. De beroepsgronden van de omwonenden die zien op het ontbreken van een omgevingsvergunning dienen daarom buiten beschouwing te blijven.

Waar het gaat om de stelling dat de bodem van het terrein sterk verontreinigd zou zijn, overweegt de Afdeling dat de Zaandammers niets hebben aangevoerd wat aanleiding zou kunnen geven om te geloven dat het bodemonderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Om die reden heeft het college zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat de NSV de graafwerkzaamheden niet hoefde te melden op grond van artikel 28 Wbb zodat het college op grond van die wet niet handhavend kon optreden. Het betoog dat er stelselmatig overtredingen gepleegd worden op het terrein geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Relevante overweging van de Afdeling daarbij is dat ieder handhavingsverzoek immers op zichzelf beoordeeld dient te worden. Dat betekent dat eerdere mogelijke overtredingen door de partij waartegen om handhaving wordt verzocht, bij de behandeling van dit handhavingsverzoek niet kunnen worden meegewogen. Aan de bespreking van het handhavingsbeleid komt de Afdeling dan ook niet toe. Het beroep wordt verworpen.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:235.

Share This