Om iemand aan te kunnen merken als overtreder van artikel 13 Wet bodembescherming (Wbb) is vereist dat diegene handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 Wbb heeft verricht. Dit geldt ook als diegene niet zelf de bedoelde handelingen heeft verricht, maar die wel aan hem kunnen worden toegerekend, omdat deze bijvoorbeeld voor hem, ten behoeve van hem, of onder zijn verantwoordelijkheid zijn verricht. Dit uitgangspunt ten aanzien van de reikwijdte van de zorgplicht van artikel 13 Wbb wordt weer eens duidelijk in een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 10 augustus 2020. In deze zaak speelde een bodemverontreiniging als gevolg van drugsgerelateerde stoffen.

Achtergrond

Op 3 september 2019 heeft de politie bij een bestuurlijke controle op een woonperceel voorwerpen gevonden die in verband worden gebracht met de productie van synthetische drugs. Daarnaast heeft de politie op een nabijgelegen bosperceel aan de productie van synthetische drugs gerelateerde voorwerpen en stoffen aangetroffen.

Bij bodemonderzoeken is gebleken dat de bodem van het bosperceel verontreinigd is met drugsgerelateerde stoffen. Het college van burgemeester en wethouders heeft daarop een last onder dwangsom opgelegd aan de bewoner van een aan het bosperceel grenzend woonperceel. Deze last ziet op het saneren van de verontreiniging van de bodem van het bosperceel. De bewoner wordt door het college aangemerkt als overtreder van de zorgplicht van artikel 13 Wbb.

Overtrederschap art. 13 Wbb

De bewoner heeft daarop de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht het besluit te schorsen. Hiertoe voert hij, onder andere, aan dat hij niets te maken heeft met de bodemverontreiniging en daarom ook geen overtreder van artikel 13 Wbb is. De bewoner wijst er daarbij op dat hij geen eigenaar is van het bosperceel, en bovendien geen zicht heeft op het bosperceel. Tussen het bosperceel en woonperceel staat namelijk een muur van 2 meter hoog. Daarnaast voert de bewoner aan dat de aangetroffen voorwerpen en stoffen niet achter zijn woonperceel zijn aangetroffen en er geen bewijs is dat hij de stoffen in het bosperceel heeft gestort. Tot slot wordt door de bewoner aangevoerd dat hij niet betrokken is bij de productie van drugs, de op zijn woonperceel aangetroffen voorwerpen niet van hem zijn en bovendien niet bestemd zijn voor de productie van drugs.

Hoewel de voorzieningenrechter niet bewezen acht dat de bewoner zelf de gevonden voorwerpen en stoffen op het bosperceel heeft gestort, wordt het verzoek tot schorsing afgewezen. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.1 van de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1128, wordt overwogen dat de zorgplicht van artikel 13 Wbb ook geldt ‘voor iemand die niet zelf bodemverontreinigende handelingen heeft verricht, maar die wel aan hem kunnen worden toegerekend omdat deze bijvoorbeeld voor hem, ten behoeve van hem of onder zijn verantwoordelijkheid zijn verricht.’

De voorzieningenrechter concludeert dat het storten van de gevonden voorwerpen en stoffen op het bosperceel aan de bewoner kan worden toegerekend. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat op het woonperceel van de bewoner een groot aantal voorwerpen alsook stoffen zijn aangetroffen die kunnen worden gebruikt voor de productie van synthetische drugs. De voorzieningenrechter acht de enkele stelling van de bewoner dat hij geen enkele betrokkenheid heeft met de gevonden voorwerpen en de stort op het bosperceel dan ook niet geloofwaardig. Ook de stelling van de bewoner dat het gedeelte van het bosperceel waar de druggerelateerde voorwerpen en stoffen zijn aangetroffen niet toegankelijk was voor hem vanwege de aanwezige muur wordt door de voorzieningenrechter niet gevolgd. Op het woonperceel van de bewoner zijn onder meer ladders aan beide kanten van de muur aangetroffen.

Raadpleeg hier de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2020. ECLI:NL:RVS:2020:1897.

Share This