Bij de productie van drugs komt chemisch afval vrij, dat met grote regelmaat (in de natuur) wordt gedumpt. Deze dumpingen kunnen leiden tot gezondheidsrisico’s, milieuschade en hoge kosten voor het opruimen. Wanneer de drugscriminelen niet worden opgespoord, draaien gemeenten hiervoor zelf op. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) maakt in een uitspraak van 8 augustus 2018 duidelijk dat een getraceerde drugscrimineel die enkel (actief) betrokken is bij een amfetaminelaboratorium, als overtreder in de zin van artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb) kan worden aangemerkt. Ook wanneer diegene de bodem niet zelf heeft verontreinigd en hier ook geen weet van heeft gehad.

Waar ging de zaak over?

In een leegstaande boerderij te Geesteren in de provincie Gelderland wordt op 6 november 2014 een illegaal amfetaminelaboratorium aangetroffen. In het ontmantelde lab bevinden zich de synthetische drugs XTC, speed en GHB, evenals de grondstoffen voor de productie hiervan. Bij de inval worden drie mannen aangehouden. Een dag later verrichten onder meer gemeentelijke toezichthouders nader onderzoek op de locatie. Daarbij stellen zij vast dat de activiteiten in dit laboratorium zeer waarschijnlijk een bodemverontreiniging rondom het drugslab hebben veroorzaakt, doordat vloeistoffen vanuit een put met behulp van een pomp en een slang in de bodem zijn gebracht.

Na strafrechtelijke veroordeling van twee van de drie aangehouden mannen besluit het college van burgemeesters en wethouders van Tubbergen (het college) handhavend op te treden en legt op 6 oktober 2016 aan de twee veroordeelden een last onder bestuursdwang op in verband met het overtreden van artikel 13 Wbb. Deze last houdt in dat de exacte omvang van de bodemverontreiniging door middel van een nader bodemonderzoek moet worden vastgesteld. Beide heren dienen hiertegen bezwaar in. Echter vormt dit voor het college geen aanleiding om van handhavend optreden af te zien. Nu door de overtreders aan de last ook geen uitvoering wordt gegeven, gaat het college over tot toepassing van de bestuursdwang en laat een nader bodemonderzoek uitvoeren.

Het geschil

In de procedure bij de Afdeling voert één van de twee veroordeelde mannen aan dat niet hij, maar een ander feitelijk verantwoordelijk is voor de ontstane bodemverontreiniging als gevolg van het lozen van de afvalstoffen van het amfetaminelaboratorium via de aangetroffen put. Immers, ingevolge artikel 13 Wbb is “ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.” Volgens de overtreder had hij van het lozen van de afvalstoffen van het  amfetaminelaboratorium geen wetenschap, zodat hij geen handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 Wbb heeft verricht en het college hem ten onrechte heeft aangemerkt als overtreder van artikel 13 Wbb.

Oordeel Afdeling

De Afdeling is een andere mening toegedaan. Niet alleen de uiteindelijke lozing in de bodem van verontreinigende stoffen vanuit het amfetaminelaboratorium, maar ook het in werking hebben van het laboratorium zélf moet worden aangemerkt als een handeling als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 Wbb. Deze handeling heeft immers als direct gevolg gehad dat verontreinigende stoffen in de bodem zijn gebracht en kan, gelet daarop, worden aangemerkt als ‘een handeling waarbij als nevengevolg stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten op of in de bodem zijn geraakt’. Daarmee kan het in werking hebben van een drugslaboratorium worden aangemerkt als een handeling als bedoeld in artikel 10 lid 1  Wbb.

Bij de strafrechtelijke veroordeling is vast komen te staan dat de overtreder actief betrokken is geweest bij het in werking zijn van het amfetaminelaboratorium. Zijn betrokkenheid bestond in ieder geval uit het transporteren van een grote hoeveelheid chemicaliën naar het laboratorium en het verrichten van hand- en spandiensten in het laboratorium, zoals het ophangen van afzuigapparatuur. Nu hij actief betrokken geweest bij het in werking hebben van het amfetaminelaboratorium heeft hij deze handeling (mede) verricht en is hij daarmee (mede) verantwoordelijk voor de ontstane bodemverontreiniging. Zodoende heeft hij artikel 13 Wbb overtreden.

Verder overweegt de Afdeling dat overtreder wist of hoorde te weten dat bij een amfetaminelaboratorium stoffen vrijkomen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten en redelijkerwijs kon vermoeden dat door het draaiende houden van een drugslaboratorium de bodem kon worden verontreinigd of aangetast. Daarom rustte ingevolge artikel 13 Wbb op hem wel degelijk de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd om verontreiniging of aantasting van de bodem door het in werking zijn van het amfetaminelaboratorium te voorkomen. Hij heeft echter niets gedaan ter voorkoming van de lozing die vanuit het amfetaminelaboratorium heeft plaatsgevonden. Zijn stelling dat hij feitelijk niet betrokken is geweest bij de lozing en daarvan ook niet wist, maakt dit niet anders. Het doet daarbij ook niet ter zake of aan hem het handelen van anderen kan worden toegerekend. Met zijn eigen handelen en nalaten heeft hij de in artikel 13 Wbb vervatte preventieplicht overtreden.

Belang voor de praktijk

Ondanks dat de overtreder geen wetenschap had van de lozing van drugsafval, heeft hij deze handeling (mede) verricht omdat hij actief betrokken is geweest bij het in werking hebben van het amfetaminelaboratorium. Weliswaar heeft hij niet zelf de bodem verontreinigd en daar ook geen weet van gehad, toch kan hij vanwege het miskennen van zijn preventieplicht als overtreder van artikel 13 Wbb worden aangemerkt en kunnen daarmee ook de kosten van de toegepaste bestuursdwang op hem worden verhaald. Meer ruimte voor het bevoegd gezag Wbb om drugscriminelen voor de kosten van onderzoek en het ongedaan maken van verontreiniging verantwoordelijk te houden dus!

Raadpleeg hier de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Share This