Dat het niet altijd eenvoudig is om vast te stellen of een stedelijke ontwikkeling een nieuwe stedelijke ontwikkeling is die aan de Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden getoetst, blijkt uit de vele uitspraken die al over dit begrip zijn gewezen. Op dit blog is inmiddels ook al een flink aantal blogberichten gewijd aan ‘de nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De Afdeling heeft op 26 april jl. opnieuw een interessante uitspraak gedaan over het begrip nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Wat was er aan de hand?

Aan de orde in de uitspraak van 26 april jl. is het bestemmingsplan “Harnaschpolder Zuid 2014” van de raad van de gemeente Midden-Delfland. Dit bestemmingsplan ziet op een bedrijventerrein van zo’n 55 hectare tussen de A4 en de kern van het dorp Den Hoorn. Het plangebied was voorheen een glastuinbouwgebied en was ten tijde van de vaststelling van het plan al volop in transitie. Op verschillende locaties in het plangebied voorzagen voorheen geldende bestemmingsplannen al in bedrijvigheid. Een aantal bewoners van het plangebied heeft beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan. Zij voeren onder meer aan dat dit bestemmingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt voor die ontwikkeling een actuele regionale behoefte bestaat.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

De Afdeling overweegt als volgt. Voor de vraag of een stedelijke ontwikkeling een nieuwe stedelijke ontwikkeling is, is de vergelijking tussen het voorheen geldende planologische regime en het bestreden bestemmingsplan van belang. Op basis van het voorheen geldende planologische regime golden de bestemmingen “Gemengd – Uit te werken”, “Gemengde doeleinden – Uit te werken” en “Bedrijven – Uit te werken”. Het gaat om drie uitwerkingsplichten waaraan het college van B&W ten tijde van de vaststelling van de vaststelling van het bestreden bestemmingsplan nog geen uitvoering had gegeven. De uitwerkingsplichten omvatten verschillende functies waaronder bedrijven maar ook wonen, kantoren of culturele en maatschappelijke voorzieningen.

De Afdeling stelt eerst vast dat de bestemming “Bedrijventerrein” waarin nu wordt voorzien, een stedelijke ontwikkeling is die onder het voorheen geldende planologische regime mogelijk werd gemaakt door de drie uitwerkingsplichten. Maar dat blijkt niet genoeg voor de conclusie dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Want, zo oordeelt de Afdeling, de mate waarin een uitwerkingsplicht keuzemogelijkheden biedt ten aanzien van de in het uitwerkingsplan te regelen functies en de omvang daarvan, is bepalend voor de vraag of het opvolgende bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nu in dit geval de onbenutte uitwerkingsplichten ruime mogelijkheden omvatten, wordt in het bestreden bestemmingsplan met de bestemming “Bedrijventerrein” een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het college had er immers ook voor kunnen kiezen om een andere functie dan bedrijven te realiseren, zo lijkt de gedachte. Met het bestreden bestemmingsplan wordt daarom een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt.

En hoe zit dit bij onbenutte wijzigingsbevoegdheden?

Op 12 april jl. heeft de Afdeling zich ook uitgelaten over onbenutte wijzigingsbevoegdheden en de vraag hoe die zich verhouden tot de ontwikkeling in het daarop volgende bestemmingsplan. In de zaak die aan die uitspraak ten grondslag ligt, gaat het om een bestemmingsplan dat voorziet in perifere detailhandel. Op basis van het daar voorheen geldende planologische regime was perifere detailhandel niet bij recht toegestaan, maar was het wel mogelijk om dit door middel van een wijzigingsbevoegdheid toe te staan. Dat is naar oordeel van de Afdeling echter eveneens onvoldoende om het bij recht toestaan van perifere detailhandel in een daarop volgend bestemmingsplan, aan te merken als géén nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Afdeling acht daartoe van belang dat een wijzigingsbevoegdheid slechts de mogelijkheid geeft om de bestaande bestemming te wijzigen, het moederplan zelf voorziet echter nog niet in een functiewijziging.

Tot slot

Dat een stedelijke ontwikkeling al gerealiseerd kon worden op basis van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht met ruime mogelijkheden in een voorheen geldend bestemmingsplan maakt niet dat met een daarop volgend bestemmingsplan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt. De maatstaf lijkt namelijk te zijn de zekerheid over het realiseren van de functie. Bij een wijzigingsbevoegdheid en ook bij een uitwerkingsplicht met ruime mogelijkheden bestaat slechts de mogelijkheid dat een betreffende functie daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Het lijkt in deze lijn logisch dat een uitwerkingsplicht die in één mogelijke functie voorziet, wel meebrengt dat een daarop volgend plan dat juist die functie bij recht mogelijk maakt niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. En dat geldt ook voor de gemengde bestemming die bij recht verschillende functies mogelijk maakt.

Bronnen: AbRvS 26 april 2017, nr. 201600888/1/R3  &  AbRvS 12 april 2017, nr. 201605079/1/R2

 

Share This