De Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 21 december 2016 een interessante uitspraak gewezen over kostenverhaal bij asbestbranden, ook in het geval de eigenaar van het afgebrande gebouw er voorafgaande aan de brand niet mee bekend was dat het gebouw asbest bevatte en er dus niet op bedacht behoefde te zijn dat zich in geval van brand asbest naar de omgeving zou kunnen verspreiden. Daarnaast wordt in de uitspraak ingegaan op de vraag welke rechter bevoegd is indien er wordt gehandhaafd op basis van twee verschillende zorgplichten, één met betrekking tot welke de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van beroepen tegen handhavingsbesluiten en één waarbij de Afdeling is aangewezen als in eerste en enige aanleg bevoegd om kennis te nemen van beroepen tegen handhavingsbesluiten.

Achtergrond
Appellant is gebruiker van een tuinhuisje op een volkstuinencomplex. Niet duidelijk is of de gebruiker ook eigenaar is van het tuinhuisje. Er vindt brand plaats in het tuinhuisje en hierdoor vindt er een verspreiding plaats van asbest naar de omgeving. De gebruiker van het tuinhuisje blijkt er niet mee bekend te zijn dat het tuinhuisje asbest bevatte. Opruiming van de asbest is vanwege het gevaar ervan voor de volksgezondheid en milieu noodzakelijk. Omdat de gebruiker van het tuinhuisje nalaat de asbest op te ruimen wordt er gehandhaafd op grond van twee zorgplichten, te weten: artikel 1a Woningwet en artikel 1.1a Wet milieubeheer. Er vindt kostenverhaal plaats en naar aanleiding daarvan doet zich een tweetal vragen voor:

– Welke rechter is bevoegd kennis te nemen van het beroep?
– Is kostenverhaal wel redelijk nu de gebruiker van het tuinhuisje er niet mee bekend was dat in het tuinhuisje asbest verwerkt is geweest.

Handhaving zorgplichten Wet milieubeheer en Woningwet. Welke rechter is bevoegd? Afdeling
De rechtbank is bevoegd kennis te nemen van beroepen tegen besluiten tot handhaving van de Woningwet, maar niet van beroepen tegen besluiten tot handhaving van artikel 1.1a Wet milieubeheer. Op grond van artikel 8:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, is de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd kennis te nemen van beroepen tegen een besluit tot handhaving van artikel 1.1a Wet milieubeheer.

In de onderhavige kwestie heeft het bevoegd gezag één ondeelbare last onder bestuursdwang opgelegd die is gebaseerd op één en hetzelfde feitencomplex. Aan de last is zowel een overtreding van artikel 1a Woningwet als van artikel 1.1a Wet milieubeheer ten grondslag gelegd. De Afdeling heeft in lijn met eerdere uitspraken van de Afdeling geoordeeld dat de Afdeling in een dergelijke situatie bevoegd in eerste en enige aanleg kennis te nemen van het beroep.

Kostenverhaal
De gebruiker van het tuinhuisje heeft betoogd dat hij ten onrechte als overtreder van artikel 1.1a lid 1 Wet milieubeheer is aangemerkt, omdat hem geen verwijt van de asbestverontreiniging kan worden gemaakt en hij ook geen wetenschap had van de asbest op het dak van het tuinhuis. De Afdeling overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een overtreding van artikel 1.1a lid 1 Wet milieubeheer bepalend is of de overtreder redelijkerwijs kon vermoeden dat door het niet treffen van maatregelen ten aanzien van de verspreide asbest, nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan. Dat niet kan worden verweten dat de brand is ontstaan en daardoor asbest zich heeft verspreid, is niet relevant. Aangezien de gebruiker van het tuinhuisje bij machte was om de verspreide asbest te saneren maar dit heeft nagelaten, is hij volgens de Afdeling terecht als overtreder van artikel 1.1a lid 1 Wet milieubeheer aangemerkt.

Nu de eigenaar van het tuinhuisje kan worden verweten niet de maatregelen  te hebben genomen die van hem werden gevergd, kan dit hem volgens de Afdeling worden verweten. De Afdeling overweegt dat gelet hierop de mate waarin het algemeen belang is betrokken bij het ongedaan maken van de ontstane situatie, geen aanleiding kan geven voor het oordeel dat de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel voor rekening van de gebruiker van het tuinhuisje behoren te komen. Evenmin is de Afdeling gebleken van andere bijzondere omstandigheden die grond bieden om geheel of gedeeltelijk van het kostenverhaal af te zien. De financiële draagkracht van de gebruiker van het tuinhuisje kan in beginsel niet als een dergelijke omstandigheid gelden, aldus de Afdeling.

Al met al een niet heel verrassende uitspraak en een bevestiging van een in andere uitspraken van de Afdeling uitgezette lijn.

Bron
AbRvS 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3416.

Share This