Voor de aanleg of wijziging van een waterstaatwerk door of in opdracht van de beheerder moet op grond van artikel 5.4 Waterwet een projectplan worden opgesteld. De aanleg of wijziging van waterstaatwerken gaat soms gepaard met schade voor burgers en bedrijven, bijvoorbeeld door natschade. In het tweede lid van artikel 5.4 Waterwet is beschreven dat ieder projectplan in ieder geval een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk dient te bevatten. In een uitspraak van 22 december 2016 (nr. 201508374/1/A1) verduidelijkt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat dit vereiste niet zover strekt dat geen nadelige gevolgen mogen optreden als gevolg van het projectplan. Evenmin is vereist dat met alle betrokkenen volledige overeenstemming bestaat over de te nemen maatregelen.

De uitspraak

De uitspraak van de Afdeling van 22 december 2016 ziet op een projectplan ter versmalling van de Kleine Dommel. Appellanten vrezen dat zij schade zullen lijden vanwege de daardoor veroorzaakte stijging van het grondwaterpeil.  Zij voeren bij de Afdeling aan dat ten onrechte goedkeuring aan het projectplan is verleend, aangezien geen duidelijke afspraken en compenserende maatregelen zijn vastgelegd voor alle betrokkenen. Het Waterschap onderkent dat het grondwaterpeil zal stijgen en daardoor schade zal ontstaan aan twee percelen van appellanten. Voor één van de twee percelen voorziet het projectplan in de ophoging van het perceel. Indien de eigenaar niet akkoord gaat met de ophoging, kan gebruik worden gemaakt van de nadeelcompensatieregeling. Voor het andere perceel heeft het Waterschap berekend dat de schade naar verwachting €32,59 per jaar zal zijn. Vanwege het geringe schadebedrag is voorafgaand aan de aan de uitvoering van het projectplan geen overeenkomst voor vergoeding van schade gesloten met de eigenaar, maar is in het projectplan verwezen naar de mogelijkheid om vergoeding van schade te verzoeken. Gezien het voorgaande oordeelt de Afdeling dat het projectplan voldoet aan de in artikel 5.4, tweede lid van de Waterwet gestelde eisen. In het projectplan is immers omschreven welke nadelige gevolgen voor appellanten kunnen optreden, welke voorzieningen worden en kunnen worden getroffen om die nadelige gevolgen ongedaan te maken en welke mogelijkheden er zijn om een financiële vergoeding te krijgen voor schade die niet kan worden voorkomen.

Systematiek Waterwet

Dat nadelige gevolgen van het projectplan geen beletsel zijn om het projectplan vast te stellen, volgt ons inziens niet alleen uit de bewoording van artikel 5.4, tweede lid Waterwet – dat niet alleen spreekt van het ongedaan maken van nadelige gevolgen, maar ook van het beperken daarvan – maar ook uit de systematiek van de Waterwet. In artikel 7.14 Waterwet is immers de verplichting voor het betrokken bestuursorgaan opgenomen om schade (onder voorwaarden) te vergoeden die optreedt bij het uitoefenen van de waterbeheertaak. Deze bepaling ziet ook op schade veroorzaakt door projectplannen. Ook het ontbreken van een verplichting om voorafgaand aan het vaststellen van het projectplan overeenstemming te bereiken met alle betrokkenen is naar onze mening logisch. Op die wijze zou een betrokkenen de uitvoering van een project immers kunnen vertragen door zijn toestemming te onthouden.

Conclusie

Al met al een heldere uitspraak van de Afdeling, die belangrijke aanwijzingen bevat voor de beheerders van waterstaatwerken omtrent de materiele vereisten voor een projectplan ten aanzien van schade. De uitspraak sluit aan bij voorgaande uitspraken, waarin de Afdeling de verschillende eisen reeds toepaste (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 oktober 2016, nr. 201603840/1/R6).

Share This