Op 1 juli 2015 heeft de Afdeling een uitspraak gewezen over het normaal maatschappelijk risico, meer specifiek over het hanteren van een drempel van 5%. Het college had een tegemoetkoming in planschade toegekend voor de waardedaling van de woning van appellant als gevolg van woningbouw op een inbreidingslocatie. In hoger beroep betoogde appellant dat een drempel van 5% te hoog is. Gelet op dat het bouwplan deels wel en deels niet in de lijn van verwachtingen lag en de omvang van de schade fors is, dient de geleden planschade slechts voor 3% van de waarde van de woning tot het normaal maatschappelijk risico te behoren, aldus appellant.

De Afdeling beslist dat er in dit geval voldoende redenen zijn om een drempel van 5% te hanteren. Daarbij wordt gewezen op de uitspraken van 19 februari 2014, 9 april 2014 en 2 juli 2014, waarin eveneens een drempel van 5% is geaccepteerd. In deze zaken was de aard van de schade overeenkomstig met de onderhavige en lag de grondslag voor compensatie ook in het beginsel van gelijkheid voor de openbare lasten. De Afdeling overweegt dat een drempel van 5% relatief hoog is in vergelijking tot de drempel van 2% die in artikel 6.2 lid 2 Wro is neergelegd, maar in een geval als het onderhavige aanvaardbaar. Hierbij somt de Afdeling een aantal omstandigheden op die de drempel van 5% in dit geval aanvaardbaar maken, die hieronder zijn weergegeven. Voorts overweegt de Afdeling nog dat de drempel van 2% een minimum-forfait is, dat geldt voor alle gevallen waarin is verzocht om vergoeding van indirecte planschade in de vorm van waardevermindering, ongeacht de vraag of de schadeveroorzakende planologische maatregel als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.

Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van een drempel van 5% is in dit geval het volgende van belang volgens de Afdeling:
– het terrein waarop de acht vrijstaande woningen aan de achterzijde van het perceel van appellant mogelijk zijn gemaakt ligt in een centrumdorps milieu en is geheel door (woon)bebouwing omgeven; het terrein moet dan ook worden beschouwd als een inbreidingslocatie;
– de bouw van woningen op een inbreidingslocatie is een normale maatschappelijke ontwikkeling die zich voordoet in veel centra van steden en dorpen in Nederland;
– de gemeente Mook en Middelaar en de provincie Limburg hanteren inbreiding als uitgangspunt van het woningbouwbeleid; de ontwikkeling past daarmee in het gemeentelijk en provinciaal beleid;
– het terrein had in het bestemmingsplan Molenhoek reeds de bestemming “Woondoeleinden W” gekregen; de gemeenteraad van Mook en Middelaar heeft in 1999 en 2004 uitgesproken een voorstander te zijn voor een invulling van deze locatie met woningbouw;
– naast het perceel van appellant staan op omringende percelen vrijstaande woningen; de bebouwing past dan ook in het karakter van de buurt en sluit in zoverre aan op de plaatselijke situatie;
– de kortste afstand tussen de woning van appellant en het bouwterrein bedraagt ongeveer 18 meter en tussen de woning van appellant en de meest dichtbij voorziene woning ongeveer 32 meter.

Bronnen: AbRvS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2071; AbRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:572; AbRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1198 en AbRvS 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2396.

Share This