Op 7 februari 2018 heeft de Afdeling een interessante uitspraak (ABRvS 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:419) gedaan in een zaak waarin appellanten in beroep zijn gegaan tegen een herstelbesluit van provinciale staten, betreffende de aanleg van een ondergrondse hoogspanningsverbinding. In de uitspraak gaat de Afdeling in op een aantal aandachtspunten, zoals de mogelijkheid voor het aanvoeren van nieuwe argumenten en berusting.

Achtergrond
Op 1 februari 2017 heeft de Afdeling uitspraak (ABRvS 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:238) gedaan in een zaak betreffende het inpassingsplan ‘Netuitbreiding Kop van Noord-Holland’, dat voorzag in de aanleg van een nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding tussen een aantal transformatorstations. In deze zaak gingen vijftien appellanten in beroep tegen het inpassingsplan. De Afdeling vernietigde het inpassingsplan, onder andere omdat het plan onvoldoende gemotiveerd was. Provinciale Staten hadden bijvoorbeeld onvoldoende gemotiveerd waarom niet was gekozen voor een alternatieve ligging van het tracé, waarbij de hinder voor omwonenden zou worden beperkt. De Afdeling overwoog daarnaast dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid. Provinciale staten kwamen ter zitting met het standpunt dat het aanlegvergunningstelsel gedeeltelijk strenger was geformuleerd dan nodig was, zodat bepaalde verboden (zoals het niet mogen aanleggen van wegen of paden) uit het inpassingsplan bij bepaalde werken en werkzaamheden niet zouden gelden. Ook was bijvoorbeeld niet uitgesloten dat bepaalde woningen binnen de zogenaamde magneetveldzone zouden vallen, anders dan uit het besluit volgde. Provinciale staten hebben naar aanleiding van deze uitspraak een nieuw inpassingsplan vastgesteld (verder: het herstelbesluit). Tegen dit herstelbesluit werd door drie appellanten beroep ingesteld. Op 7 februari 2018 heeft de Afdeling hierover uitspraak gedaan. In dit blog wordt ingaan op de belangrijkste overwegingen van die uitspraak.

Nieuwe argumenten: wijziging in het besluit of verandering van omstandigheden vereist
Het tracé zal volgens de appellant ook invloed hebben op het bedrijf dat hij uitoefent op een tweede locatie: het tracé zal volgens hem uitbreiding van een loods op het bedrijfsterrein in de weg staan. In de beroepsfase betreffende het inpassingsbesluit is een dergelijk argument niet aangevoerd. De Afdeling overweegt, volgens vaste rechtspraak: ‘Niet kan worden aanvaard dat, behoudens het geval dat een wijziging in het besluit of een verandering van omstandigheden daartoe aanleiding geeft, in een beroep tegen een nieuw besluit dat is genomen na de vernietiging van een eerder besluit, nieuwe argumenten worden aangevoerd ten einde te bewerkstellingen dat de rechter terugkomt van een in de eerste uitspraak als definitief bedoelde verwerping van een beroepsgrond.‘ Nu een dergelijke wijziging van het besluit of verandering van omstandigheden niet aan de orde is, wordt het nieuwe argument niet verder behandeld.

Niet-ontvankelijkheid door berusting in eerdere uitspraak
Een andere appellant gaat in beroep tegen het herstelbesluit, omdat het tracé negatieve invloed voor haar bedrijfsvoering en de gezondheid van de werknemers van haar bedrijf zou hebben. De Afdeling stelt dat nu de appellant geen beroep heeft ingesteld tegen het inpassingsplan, zij wordt geacht te hebben berust in dit besluit. Het herstelbesluit leidt bovendien niet tot een nadeliger positie van de appellant, aldus de Afdeling. Gelet op de efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van partijen, wordt deze appellant dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

Waarom is deze uitspraak relevant?
Deze uitspraak is relevant omdat de uitspraak min of meer een overzicht geeft van de aandachtspunten die spelen bij een proces rond een herstelbesluit. Appellanten moeten er goed op letten dat zij geen nieuwe argumenten aanvoeren die zij bij het eerdere besluit al hadden kunnen aanvoeren. Een appellant zal bovendien niet-ontvankelijk worden verklaard als deze op een bepaald punt al beroep had kunnen instellen tegen het eerdere besluit, en dit niet heeft gedaan. Beroep instellen tegen het herstelbesluit is dus te laat, in ieder geval wanneer de positie van die appellant niet nadeliger zal zijn vergeleken met het eerdere besluit.

 

Link: ABRvS 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:419

 

Share This